Beloftenteams buitenlandse alternatieven head

Beloftenteams in de piramide: de buitenlandse alternatieven

Gepubliceerd op 20 mei 2019 | Door Willem van den Brink | Overige

In deel 1 van deze serie concludeerden we dat deelname van de beloftenteams in de voetbalpiramide niet inherent slecht is.

Nu is het tijd om het huidige Nederlandse systeem af te zetten tegen buitenlandse alternatieven. Hierbij kijken we zowel naar landen waarin de beloftenteams wel, als landen waarin ze niet in de piramide deelnemen.

Beloftenteams Spanje

In Spanje maken reserveteams deel uit van de piramide. Vorig seizoen degradeerden de tweede teams van Barcelona en Sevilla naar het derde niveau in Spanje waardoor er nu geen tweede teams meer op het tweede niveau spelen.

In 2013-2014 behaalde Barcelona B nog een promotieplaats. In Spanje moeten, net als in Nederland, reserveteams echter minstens één niveau onder de A-teams spelen. Daarom ging de promotie naar het hoogste niveau niet door.

Er zijn ook andere restricties. Spelers moeten worden ingeschreven voor een team, en kunnen niet zomaar van het A-team naar het B-team overgeplaatst worden (of vice versa). Dit heeft gevolgen voor reservespelers van het eerste team die geblesseerd raken. Zij kunnen lang niet altijd minuten maken in officiële wedstrijden van het B-team.

Een verschil met Nederland zijn de toeschouwersaantallen.

Net als in de Keuken Kampioen Divisie trekken de B-teams in de Segunda Division B niet significant meer of minder toeschouwers dan de andere teams. Echter, bij promotie naar het tweede niveau verandert dat. Real Madrid Castilla trekt dit seizoen slechts 1040 toeschouwers per wedstrijd.

Een niveau hoger trekt het minst bekeken team, CF Reus, bijna drie keer zoveel toeschouwers. In Spanje zouden clubs derhalve meer te klagen hebben als de beloftenteams op het tweede niveau zouden spelen: ze zullen bij uitwedstrijden tegen beloftenteams voor veel minder publiek spelen.

Daarnaast maakt het een groter verschil in thuiswedstrijden. Real Madrid Castilla neemt veel minder supporters mee naar uitwedstrijden dan de eerste teams op het tweede niveau.

Dit verschil is groter dan in de Keuken Kampioen Divisie.

Concluderend lijkt het er op dat het Nederlandse systeem heeft geleerd van het Spaanse systeem; een systeem dat bijvoorbeeld voor FC Barcelona goed heeft gewerkt. Meerdere spelers van de tiqui-taca generatie, waaronder Lionel Messi, hebben immers mogen groeien in Barcelona B.

Een mogelijke punt dat de KNVB kan overnemen vanuit Spanje is een limiet aan spelers die voor het beloftenteam mogen uitkomen.

Als er een maximum van bijvoorbeeld 25 spelers voor beloftenteams is, zeker als die vóór het seizoen begint moeten worden opgegeven, dan is het verschil in opstelling van wedstrijd tot wedstrijd kleiner.

Dit zou wel betekenen dat de beloftenteams niet meer tijdens interlandrondes kunnen spelen. Aangezien een groot deel van hun selecties jeugdinternationals zijn zou het onmogelijk worden om een team op te stellen.

Beloftenteams Engeland

In Engeland nemen de beloftenteams niet deel aan de reguliere piramide. Zij spelen in de Professional Development League waarin het hoogste niveau bekend staat als de Premier League 2.

Deze competitie staat open voor spelers onder 23, waarbij er elke wedstrijd drie oudere veldspelers (bijvoorbeeld voormalig geblesseerden) en een keeper mogen meespelen. De Britten onderkennen de noodzaak om jeugdspelers serieuze weerstand te geven.

Daarom zijn er twee initiatieven in aansluiting op de reserve-competitie en het reserve bekertoernooi.

Als eerste mogen de teams in de Premier League 2 deelnemen aan de EFL Trophy (mogelijk beter bekend als de Checkatrade Trophy of voorheen de Johnstone’s Paint Trophy).

In dit bekertoernooi spelen de 16 deelnemende beloftenteams minstens drie wedstrijden (groepsfase) tegen teams uit de League 1 en League 2.

Als zij de groepsfase overleven komen ze in een knock-out systeem terecht.

In de drie seizoenen dat ze hebben deelgenomen heeft elk jaar één beloftenteam de kwartfinale gehaald. In 2017/2018 haalde het beloftenteam van Chelsea zelfs de halve finale, waarin ze pas na strafschoppen werden uitgeschakeld door Lincoln City.

Naast de EFL Trophy is er de Premier League International Cup. Een invitatietoernooi waarin de sterkste Britse jeugdteams uitkomen tegen jeugdteams van Europese (sub-)topclubs. Dit jaar werden vanuit Nederland Feyenoord en PSV uitgenodigd. Beide teams sneuvelden in de groepsfase.

Het komt er op neer dat de Britse talenten die niet worden verhuurd weinig serieuze wedstrijden spelen. Voor Nederlandse teams in de Eerste Divisie is die competitie het belangrijkste onderdeel van het seizoen.

Dat geldt niet voor de Premier League International Cup en in mindere maten voor de EFL Cup. Vandaar dat Pep Guardiola bijvoorbeeld geen fan is van de huidige jeugdstructuur in Groot Brittannië. Een logisch gevolg is dat Manchester City momenteel meer dan twee volledige elftallen aan spelers heeft verhuurd in binnen- en buitenland.

Hetzelfde geldt voor het Engelse nationale team. In de selectie voor de kwalificatiewedstrijden tegen Tsjechië en Montenegro in maart is 70% van de geselecteerde spelers in zijn jeugd minstens één keer verhuurd geweest.

Bij de zes die dat niet zijn, zitten dan nota bene nog Jadon Sancho die naar Duitsland is gegaan omdat hij in Engeland niet kon ontwikkelen, en Callum Hudson-Odoi voor wie hetzelfde lijkt te gaan gebeuren gezien zijn geringe kansen bij Chelsea.

Beloftenteams Engeland

Figuur 1: Aantal spelers van de meest recente
Engelse selectie die wel/niet verhuurd zijn in hun jeugd

Is voor de ontwikkeling van spelers het Nederlandse systeem beter dan het Engelse systeem? Stel je hebt een talentvolle speler die nog niet klaar is voor het eerste team.

In Engeland moet dan een team gevonden worden dat bereid is om de speler te huren. Dit is niet meteen vanzelfsprekend, aangezien er minder bekend is over jeugdspelers.

Dit betekent ook dat een speler makkelijk terecht kan komen op een te hoog of een te laag niveau waardoor de ontwikkeling van de speler vertraagt.

Maar goed, ook als een speler op het juiste niveau goed terecht komt kunnen er problemen optreden. Het talent moet mogelijk werken met een technische staf die uit ‘mindere’ spelers bestaat en de speler niets kunnen bijleren.

Daarnaast kan de hurende club andere plannen met de speler hebben dan zijn moederclub. Stel bijvoorbeeld dat Frenkie de Jong was verhuurd aan een team dat catenaccio speelt, dan had hij niet de ontwikkeling doorgemaakt die hij bij Jong Ajax heeft gehad.

Allemaal factoren die groei in de weg staan, en die in Nederland niet of in mindere mate van toepassing zijn.

We kunnen concluderen dat het Engelse systeem duidelijk anders is dan het Nederlandse systeem.

De terugkeer van geblesseerde selectiespelers is in Engeland gewaarborgd, en er zullen geen profteams zijn die klagen over competitievervalsing of toeschouwersaantallen. Echter, het zorgt voor een inefficiënte ontwikkeling van jeugdspelers.

Beloftenteams Frankrijk

In Frankrijk is er een soort tussenvorm. Net zoals in Spanje hebben een aantal profclubs een reserveteam in de piramide. Echter, zij kunnen niet verder komen dan het vierde (semiprofessionele) niveau (Championnat National 2).

Desalniettemin zie je iets anders dan in Engeland. Spelers worden namelijk niet massaal verhuurd aan clubs op het tweede of derde niveau, maar worden via het tweede team klaargestoomd voor het hoogste niveau.

De vraag is of spelen in een B-team op het vierde niveau anders is dan spelen in een reservecompetitie. Onze hypothese is dat dit het geval is.

Neem bijvoorbeeld het volgende citaat van Erik ten Hag uit zijn tijd bij Bayern II: “Van mijn selectie is vijftig procent nieuw. Die spelers moeten nog ondervinden dat zij iedere wedstrijd tegen een extra gemotiveerde tegenstander voetballen.”

De motivatie bij amateur/semi-prof teams is anders dan bij reserveteams van profclubs. Dus, hoewel reserveteams in Frankrijk niet op het tweede niveau mogen spelen, heeft hun deelname in de piramide toch positieve gevolgen (voor de profclubs).

Voor de amateurclubs ligt het iets anders. In tegenstelling tot in Nederland, trekken de wedstrijden van de B-teams in Frankrijk minder toeschouwers dan die van de andere teams in de competitie.

Overige buitenlandse competities

Andere landen hebben een soortgelijke opzet als één van de bovenstaande drie opties. In Portugal en Rusland spelen sommige reserveteams op het tweede niveau.

In Rusland speelt het derde team van FK Krasnodar zelfs op het derde niveau, waardoor de club vertegenwoordigd is op het eerste, tweede, én derde niveau.

In Duitsland is dit, in theorie, ook mogelijk, al komen teams in de praktijk niet hoger dan het derde niveau en speelde er dit seizoen zelfs geen enkel beloftenteam hoger dan het vierde niveau. Volgend seizoen speelt echter Wolfsburg II of Bayern II weer op het derde niveau.

Italië is bezig met het introduceren van reserveteams in het algemeen. Momenteel komt alleen een reserveteam van Juventus uit op het derde Italiaanse niveau, waar ze dit seizoen in de middenmoot zijn geëindigd.

Conclusies en aanbevelingen

In andere landen laten profclubs hun talenten minuten maken bij clubs in competities waar zij tegen eerste teams spelen. De stap van de jeugd naar het eigen eerste team wordt meestal als te groot gezien.

Wat dat betreft is, zoals betoogd in deel 1, het huidige Nederlandse systeem ideaal. De jeugdspelers van de topclubs kunnen op een relatief hoog niveau hun eerste stappen zetten en het profvoetbal binnen groeien.

Wat we kunnen leren uit het buitenland is de introductie van een vaste selectie. In de afgelopen jaren is het wisselen tussen eerste en tweede team in Nederland al enigszins aan banden gelegd, maar met een afgebakende selectie kan dit verder gebeuren.

Er moet dan wel een oplossing gevonden worden voor spelers die terugkeren van blessures. Een mogelijkheid zou het introduceren van korte huurperiodes kunnen zijn.

Op het moment dat een speler terugkomt van een serieuze blessure kan hij een maand worden verhuurd aan een club op een lager niveau.

Die club krijgt op die manier een speler met meerwaarde, terwijl de speler weer wedstrijdfitheid kan opbouwen. Na die maand kan hij weer volledig fit aansluiten bij zijn eigenlijke club.

Daarnaast is het een optie om beloftenteams niet op het tweede niveau te laten uitkomen, maar op zijn hoogst op het derde niveau.

Aangezien dit de spelerontwikkeling beperkt zijn we hier zelf geen fan van. Wel zou deze aanpassing eventuele bezwaren over gebrekkige toeschouwersaantallen en atmosfeer weg kunnen nemen.

Als we buiten onze landsgrenzen kijken blijft de algemene tendens dat de deelname van beloftenteams in de voetbalpiramide veel meer voordelen heeft dan nadelen.

En hoewel er ongetwijfeld weerstand tegen de huidige situatie zal blijven, is het de minste slechte oplossing voor meerdere vraagstukken tegelijk.

Jong talent krijgt de kans het op te nemen tegen volwassen ploegen, terwijl clubs van het tweede niveau objectief gezien weinig te klagen meer hebben over lage bezoekersaantallen of het onverwachts moeten aantreden tegen A-selectie spelers, die terugkomen van revalidatie.

Beloftenteams in de piramide: de buitenlandse alternatieven
5 Stemmen: 3

Over de auteur

Willem van den Brink
Willem is afgestudeerd Psycholoog en Econoom. Met deze wetenschappelijke achtergrond doet hij kwantitatief onderzoek voor Tussen de Linies waar hij vervolgens artikelen over schrijft.

One Response to Beloftenteams in de piramide: de buitenlandse alternatieven

  1. Avatar Yorick zegt:

    Lijkt me dat het geen optie is om de beloften teams maximaal op het derde niveau te laten meedraaien. Je zag vorig jaar al met het kampioenschap van Jong Ajax en dit jaar met de top klassering van Jong PSV dat zij aan de top van de tweede divisie zitten. Voor de grote talenten is er nauwelijks weerstaand tegen de amateurs.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.