wisselbeleid eredivisie

Het wisselbeleid in de eredivisie kan veel beter

Gepubliceerd op 19 juni 2017 | Door Vincent van den Bighelaar | Eredivisie

Voor een coach zijn er tijdens een wedstrijd relatief weinig mogelijkheden om de wedstrijd te beïnvloeden. Eén van die mogelijkheden is het maken van wissels om zo de kans op een goed resultaat te vergroten. Echter wordt er lang niet altijd van die gelegenheid gebruik gemaakt. Zelfs niet wanneer een team niet het beoogde resultaat dreigt te behalen. Hoe wisselden de coaches in de Eredivisie dit seizoen?

Wisselen wanneer prestaties afnemen

In de Europese topcompetities werd sinds het jaar 2000 gemiddeld zo’n 57% van de goals in de tweede helft gescoord (bron). In een analyse op Tussen de Linies van het seizoen 2012/13 bleek dit ook in de Eredivisie het geval. De voornaamste uitleg hiervoor is dat spelers vermoeid raken en daardoor meer fouten maken. Meer fouten leidt tot meer kansen en dus ook tot meer goals. Het is dan ook niet gek dat invallers omgerekend per 90 minuten vaker scoren dan basisspelers, zoals blijkt uit dit stuk op Statsbomb.

De vondst in dit artikel dat gewisselde basisspelers omgerekend per 90 minuten vaker scoren dan spelers die de volle 90 minuten maken, is echter een zeer interessante. Ondanks dat de meeste goals in de tweede helft gemaakt worden, en de gewisselde speler dus een deel van de meest doelpuntrijke minuten mist, scoort de gewisselde basisspeler toch vaker per 90 minuten dan wanneer hij de hele wedstrijd zou spelen. De logische uitleg hiervoor is dat vermoeidheid een zeer groot effect heeft op een speler zijn prestaties.

Op basis daarvan zou het dan ook logisch zijn om vermoeide spelers te wisselen voor verse krachten. Echter gebeurt dit lang niet altijd. Zo gebruikten de coaches in de Premier League gedurende de seizoenen 2012-2013 tot 2015/16 in slechts 77% van de wedstrijden al hun wissels. Ook de verschillen tussen coaches zijn aanzienlijk. Zo gebruikte Jose Mourinho in deze periode in 97% van de wedstrijden al zijn wissels tegenover slechts 43% door Rémi Garde (data via Mathijs Steneker (Mister Numbers)).

Wanneer te wisselen?

In 2012 publiceerde de Amerikaanse professor Bret Myers een onderzoek naar de ideale minuten om te wisselen wanneer je ploeg achter staat. Hij gebruikte hiervoor data van het seizoen 2009/2010 van de Premier League, Bundesliga, La Liga, Serie A, MLS en het WK 2010. In dit onderzoek vergeleek hij het doelpuntenverschil in het restant van de wedstrijd van teams die ‘op tijd’ wisselden en die ‘te laat’ wisselden volgens zijn beslissingsschema.

Maar wat zijn nou de ideale minuten om te wisselen wanneer je ploeg achterstaat? Volgens Myers zijn dit de 58e, 73e en 79e minuut. Zo bleek uit zijn onderzoek dat teams die voor de 58e minuut wisselden aanzienlijk vaker een achterstand om wisten te buigen dan teams die later wisselden.

Teams die het beslissingsschema van Myers volgden, verbeterden volgens Myers’ onderzoek in ongeveer 42% van hun wedstrijden het doelpuntenverschil ten opzichte van ruim 20% wanneer het schema niet werd gevolgd.

Lukte het na de eerste wissel nog steeds niet om te scoren? Breng dan voor de 73e minuut je tweede wissel aldus Myers. Nog steeds geen succes? Wacht dan niet langer dan de 79e minuut met het brengen van de derde en laatste wissel! Teams die het beslissingsschema van Myers volgden, verbeterden volgens Myers’ onderzoek in ongeveer 42% van hun wedstrijden het doelpuntenverschil ten opzichte van ruim 20% wanneer het schema niet werd gevolgd.

Vraagtekens

Dankzij het boek ‘The Numbers Game’ van David Sally en Chris Anderson werd Myers’ theorie algemener bekend. In een hoofdstuk over wisselbeleid werd de theorie beschreven en werden Jürgen Klopp en Rafa Benitez aangehaald als voorbeelden van coaches die vaak te laat wisselen.

Echter is er vanuit andere hoeken kritisch naar Myers claim gekeken. Zo onderzocht Mathijs Steneker de theorie over een grotere dataset en kwam hij tot een verbetering van de game state in slechts 31% van de gevallen wanneer de 1e wissel voor de 58e minuut werd toegepast. Met game state bedoelt hij het doelpuntenverschil in de wedstrijd. De wedstrijd start dus op game state 0 en het team dat als eerste scoort gaat naar +1, terwijl het andere team naar -1 gaat. Daarnaast blijkt uit Steneker zijn onderzoek dat vroeg wisselen ook vaker tot een verslechtering van het resultaat leidt ten opzichte van laat wisselen.

Wisselbeleid Eredivisie 1

Verandering van de ‘game state’ na wissels vanuit verliezende positie, via Mathijs Steneker


Ook Rajitha Silva en Tim Swartz hebben Myers’ theorie onderzocht. Zij vonden het 58-73-79 schema te simplistisch en begonnen met een complexere herschrijving van het beslissingsschema, zodat de theorie beter statistisch te toetsen was. Zo neemt Myers’ theorie de wisseltactiek van de tegenstander niet in beschouwing en is ieder ander wisselschema even ‘slecht’, terwijl een 60-73-79 schema waarschijnlijk tot zeer vergelijkbare resultaten zal leiden als het 58-73-79 schema.

Volgens hen is het dan ook wenselijk om wissels op verschillende momenten in wedstrijden te vergelijken. Verder blijkt uit hun onderzoek dat sterke teams vaker het beslissingsschema van Myers volgden dan zwakke teams. Deze sterke teams verbeterden aanzienlijk vaker dan gemiddeld het doelpuntenverschil wanneer zij Myers’ schema volgden (56% van de gevallen).

Echter hebben sterke teams, ongeacht hun wisselschema, altijd een bovengemiddelde kans op het verbeteren van de game state. Het is dus niet terecht om het succes van het vroege wisselschema puur aan vroeg wisselen te wijten.

Silva en Swartz gebruikten in hun eigen analyse meer data ten opzichte van Myers. Bovendien namen zij de teamsterkte van het team dat achter stond en de tijd in de wedstrijd mee in de analyse. Zij vonden onder andere dat wanneer twee gelijkwaardige teams tegen elkaar speelden, het team dat achter stond vaker de volgende goal scoorde dan het team dat voor stond.
De verklaring hiervoor is vermoedelijk een combinatie van tactiek en gedrag. Teams die achterstaan gaan vaak aanvallender en vrijer spelen, terwijl teams die voorstaan meer verdedigend en angstig gaan spelen.

Een grotere ontdekking was echter dat zij vonden dat het team dat achter stond en meer wissels had gedaan dan de tegenstander geen grotere kans had om de volgende goal te scoren. Deze claim geldt voor iedere minuut van de tweede helft.

Dit in flink contrast met Myers theorie. Silva en Swartz waren zelf ook verbaasd over hun bevindingen en voegden in de discussie toe, dat zij zeker niet stellen dat managers niet meer zouden moeten wisselen. Zij suggereerden echter dat er geen enkele reden is om de wissels aan specifieke minuten te koppelen en dat coaches dus moeten wisselen wanneer zij een afname in de prestaties van een speler waarnemen.

Wisselen in de Eredivisie

Dan is het nu eindelijk tijd om het wisselbeleid in de Eredivisie te analyseren. Wat allereerst opvalt is dat dit seizoen enkel ADO Den Haag al haar wissels heeft gebruikt en Heracles Almelo de enige club is die in een wedstrijd helemaal niet wisselde! Daarnaast blijkt Feyenoord de club te zijn die het minste heeft gewisseld.

‘Coaches van de clubs uit het linkerrijtje leden onder de ‘never change a winning team’ heuristiek’

Maar liefst 18 mogelijke wissels heeft Giovanni van Bronckhorst niet gebruikt. Verder valt op dat de clubs uit het rechterrijtje dit seizoen veel vaker wisselden dan de clubs uit het linkerrijtje. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de coaches van de clubs uit het linkerrijtje leden onder de ‘never change a winning team’ heuristiek, terwijl de clubs uit het rechterrijtje hun wissels wel gebruikten om zo hun kans op een goed resultaat te vergroten.

Wisselbeleid Eredivisie 2

Totaal aantal wissels in de Eredivisie in het seizoen 2016-2017


Ik deel echter de mening van onder andere Colin Trainor, die stelt dat een coach bijna altijd zijn drie wissels zou moeten gebruiken. Verder ben ik het eens met Silva en Swartz dat de coach het kantelpunt zelf moet inschatten wanneer de invaller een grotere bijdrage aan het resultaat kan leveren dan de vermoeide basisspeler.

Daarnaast biedt een wissel de coach nog een ander voordeel, namelijk de kans om zijn formatie en speelwijze te veranderen door een ander type speler in te brengen. Ik vind het dan ook opmerkelijk dat behoorlijk veel coaches hier regelmatig van afwijken. Zo bracht Giovanni van Bronckhorst dit seizoen in slechts de helft van alle wedstrijden een derde wissel.

‘ik zou juist willen opperen dat Feyenoord eerder ‘ondanks’ dan ‘door’ deze strategie kampioen is geworden.’

Nou kan je natuurlijk zeggen: “wat een gezeur van je, ze hebben een hartstikke goed seizoen achter de rug en zijn met deze strategie kampioen geworden”, maar ik zou juist willen opperen dat Feyenoord eerder ‘ondanks’ dan ‘door’ deze strategie kampioen is geworden.
Zo speelde Feyenoord thuis tegen SC Heerenveen 2-2 in een wedstrijd waarin zij slechts één keer wisselden, uit bij FC Utrecht 3-3 in een wedstrijd waarin zij twee keer wisselden en de tweede wissel pas in blessuretijd plaatsvond, uit bij PEC Zwolle 2-2 in een wedstrijd waarin zij twee keer wisselden en uit bij Excelsior werd met 3-0 verloren in een wedstrijd waarin zij twee keer wisselden.

Er is natuurlijk absoluut geen garantie dat Feyenoord in deze wedstrijden een beter resultaat had behaald als het vaker of eerder had gewisseld. Wellicht waren de resultaten zelfs slechter geweest, maar ik vind het vrij opmerkelijk dat zelfs in wedstrijden waarin het gewenste resultaat uitblijft er niet maximaal gebruik wordt gemaakt van de wisselmogelijkheden. Giovanni van Bronckhorst is overigens zeker niet de enige coach die lang niet altijd ingrijpt ondanks de ongewenste tussenstand. Voor meer opvallende voorbeelden zie de tabel hieronder.

Wisselbeleid Eredivisie 3

Enkele voorbeelden van wedstrijden waarin slechts één keer werd gewisseld ondanks slecht resultaat

Tijdstip van wisselen

Naast de hoeveelheid wissels is het natuurlijk ook interessant om te kijken naar het gemiddelde tijdstip van wisselen. Er zit tenslotte een flink verschil tussen een paar minuten voor tijd wisselen of al een stuk eerder in de wedstrijd. Vroeg wisselen brengt als risico mee dat het kan gebeuren dat een speler geblesseerd raakt terwijl alle wissels al gebruikt zijn. Echter geeft het ook het voordeel dat de invallers gedurende een langere periode het teamresultaat kunnen beïnvloeden.

Je zou dus kunnen stellen dat het een X aantal keer per seizoen mag gebeuren dat je door moet met 10 man of een geblesseerde speler (zoals recent Wout Brama) en het toch beter is om stelselmatig vroeg te wisselen. Bijvoorbeeld doordat je dertig maal profijt hebt van vroeg wisselen tegenover vier keer last van vroeg wisselen.

Daarnaast zullen coaches het ongewenste scenario regelmatig weten te voorkomen door een speler die al last heeft van pijntjes, en dus een verhoogde kans heeft op uitvallen, als derde te wisselen.

Persoonlijk vind ik dat een coach moet proberen de beschikbare energie van zijn spelers optimaal te benutten. Rekeninghoudend met het feit dat de invaller zijn bijdrage gedurende de wedstrijd vordert ook zal afnemen. Anders zou het kantelpunt tussen de betere maar vermoeide basisspeler en de invaller zeer vaak al in de eerste helft zijn.

Het is dus de kunst om op te zoek te gaan naar het moment dat de totale som van basisspeler en invaller het grootste is.

Het is dus de kunst om op te zoek te gaan naar het moment dat de totale som van basisspeler en invaller het grootste is. In theorie is dit moment voor de eerste wissel vrij snel na rust. Op deze manier speelt de basisspeler, die normaliter de betere speler is, net wat langer dan de invaller en kan hij in de rust even van zijn inspanningen herstellen.

In de praktijk vindt de eerste wissel echter best wel vaak in de rust plaats. Mijns inziens zou je als coach je wisselbeleid kunnen optimaliseren door in de rust al één of twee wissels bekend te maken, maar nog niet door te voeren. Zo geef je die spelers de kans om in de eerste 10/15/20 minuten van de tweede helft al hun resterende energie op te maken, om deze spelers vervolgens te vervangen.

Gevoelsmatig gebeurt het echter zelden dat wissels voortijdig gecommuniceerd worden (enkel bij rentree na blessure) en verlaten een hoop spelers het veld met nog energie in de tank.

Wissels en hun vervangers zouden mijns inziens tijdens de wedstrijd bepaald moeten worden op basis van allerlei factoren, maar het tijdstip van wisselen zou dus altijd redelijkerwijs hetzelfde moeten zijn. Persoonlijk zou ik pleiten voor een schema als:

1e wissel: 56-60e minuut, 2e wissel: 62-66e minuut, 3e wissel: 72-76e minuut

Misschien een paar minuten eerder of later dan de richtlijn afhankelijk van de tevredenheid met de tussenstand en dus de noodzaak tot verandering. Verder natuurlijk uitzonderingen als vroege wissels door blessures of rode kaarten en eerder wisselen door extra vermoeidheid na een midweekse wedstrijd daargelaten.

Echter blijkt uit de data van afgelopen seizoen, zie tabellen hieronder, dat het merendeel van de Eredivisieclubs veel later wisselt dan het schema waar ik voor pleit. Bovendien is er ook een groot verschil in het gemiddelde tijdstip van wisselen tussen de clubs. Om de clubs en coaches eerlijk te vergelijken zijn alle gedwongen wissels door blessures in de eerste helft buiten beschouwing gelaten. Met als gevolg dat er amper wissels in de eerste helft overbleven in de data.

Wisselbeleid Eredivisie 4

Gemiddelde minuut van 1e, 2e en 3e wissel, data via WhoScored


Wat opvalt is dat Feyenoord dit seizoen niet alleen het minste, maar ook het laatste wisselde van alle teams. Zowel hun eerste als hun tweede wissel werd gemiddeld als laatste doorgevoerd.

Ook FC Utrecht, FC Twente en PSV blijken late wisselaars. Vooral de laatste wissel kwam bij FC Utrecht pas erg laat binnen de lijnen. NEC, PEC Zwolle en AZ blijken daarentegen juist relatief vroeg te wisselen. Zo bracht Hyballa zowel zijn eerste als zijn tweede wissel gemiddeld als eerste en staat PEC Zwolle driemaal in de top-3 van vroege wisselaars.

Het aantal minuten voor invallers verschilt hierdoor ook vrij fors tussen de teams. Zo stonden zowel de eerste als de tweede wissel van NEC gemiddeld bijna 10 minuten langer op het veld dan de eerste en tweede wissel van Feyenoord.

De coaches in de Eredivisie brachten hun eerste wissel gemiddeld genomen wel redelijk op tijd. Echter vind ik dat alle coaches hun tweede en derde wissel te laat gebruikten.

Wellicht zie ik iets belangrijks over het hoofd, en dan hoor ik het ontzettend graag in de reacties!

Het wisselbeleid in de eredivisie kan veel beter
4.3 Stemmen: 7

Over de auteur

Vincent van den Bighelaar
Vincent is redacteur bij Tussen de linies. Voor Tussen de linies schrijft hij aan de hand van onder andere statistieken en uitgebreid onderzoek analyses uit.

6 Responses to Het wisselbeleid in de eredivisie kan veel beter

  1. Roland zegt:

    Erg leuk en interessant artikel om te lezen! Ik mis echter wel de kanttekening over de kwaliteit van de verschillende spelers (op een terloopse opmerking dat de basisspeler normaal gesproken een net iets betere speler zal zijn). In het artikel wordt er (in mijn ogen) onterecht van uitgegaan dat er op de bank spelers zitten die kwalitatief praktisch gelijk zijn aan de basisspelers. In het buitenland is dit wellicht het geval, maar in Nederland, met de beperkte budgetten, wordt er toch regelmatig met een zeer smalle selectie gewerkt, aangevuld met een handjevol jeugdspelers. In het artikel wordt bijvoorbeeld een aantal keer Feyenoord als voorbeeld aangehaald, dat Gio erg weinig en laat wisselde. Met daarbij de stelling dat de club eerder ‘ondanks’ dan ‘dankzij’ dit beleid kampioen is geworden. Echter, hierbij wordt vanuit gegaan dat enkel het energieniveau van de speler van belang is (en dat dit een eventueel klein kwalititeitsverschil compenseert)! De meningen hierover zullen verdeeld zijn, maar ik denk dat ik toch kan stellen dat van Bronckhorst misschien 12 tot hooguit 15 basiswaardige spelers in zijn selectie had, waarvan er ook een aantal regelmatig geblesseerd waren. Zou het wellicht kunnen dat Gio de kwaliteit (en ervaring) van zijn basisspelers dusdanig hoger inschatte dan die van zijn bankzitters, en om die reden zeer beperkt wisselde? Had Feyenoord bijvoorbeeld meer kans gemaakt op de titel als hij stelselmatig Elia wisselde voor pakweg Hansson of El Ahmida voor Vejinovic, enkel door het feit dat er verse energie aan het feit wordt toegevoegd?

    • Vincent Vincent zegt:

      Dankjewel!

      Over de breedte van selecties gesproken: vind je het dan niet frappant dat de armste teams van de Eredivisie (de clubs uit het rechterrijtje) juist vaker (en gemiddeld ook wat eerder) wisselen?

      Qua Gio, mijn punt is vooral dat een basisspeler zijn prestaties gedurende de wedstrijd afnemen. Die speler heeft misschien bij aanvang van de wedstrijd een niveau van zeg ‘100’ vs de wissel ’95’. Maar ligt zijn niveau na 80 minuten spelen nog steeds boven die 95 (vooral rekening houdend met vermoeidheid, maar ook met de vorm van de dag van die speler)?

      En zelfs al is zijn niveau dan nog 96, zou de wissel dan niet alsnog een grotere bijdrage kunnen leveren doordat het een ander type speler is (een stormram om iets te forceren, een verdedigende speler om de voorsprong te consolideren, etc)? Of heeft die speler een gele kaart op zak, wat hem kwetsbaar maakt?

      Ik denk dat het in ieder geval heel wenselijk is om dit soort vragen te stellen. Dan kan het antwoord natuurlijk nog steeds zijn dat de basisspeler een grotere bijdrage kan leveren, maar dan is er in ieder geval écht over nagedacht. En laten we wel wezen: Nieuwkoop, Woudenberg, Tapia, Vejinovic, Kuyt, Bilal, Kramer zo verkeerd is het allemaal toch ook weer niet?

  2. timo van der velden zegt:

    De derde wissel van PSV is bijna altijd: Aanvallende speler eruit en dan Schwaab erin

    • Vincent Vincent zegt:

      Nou, daar vergis je je een beetje in. Schwaab was dit seizoen in de Eredivisie namelijk slechts 4x de speler die door Cocu als derde wissel werd gebracht.

      In totaal kwam hij 10x als invaller binnen de lijnen: 3x als eerste wissel, 3x als tweede wissel en dus 4x als derde wissel. Hij kwam inderdaad wel vaak voor een aanvallende speler.

  3. John zegt:

    NEC schijnt het beste wisselbeleid te hebben.. maar degradeert.
    Feyenoord schijnt het slechtste wisselbeleid te hebben.. maar wordt kampioen.

    Dus ofwel je wisselstatistieken zijn verkeerd, ofwel (waarschijnlijker) is dit een grote analyse over een element in het spel wat weinig impact heeft op het totale eindplaatje, namelijk de eindstand.

    • Vincent Vincent zegt:

      Ik heb niet genoemd welke ploeg het ‘beste’ en welke het ploeg ‘slechtste’ wisselbeleid heeft. Enkel dat NEC de ploeg was die gemiddeld het vroegste van alle teams de eerste en tweede wissel bracht & Feyenoord juist het laatste van alle teams.

      Daarnaast heeft wisselen, net als ontzettend veel andere dingen, inderdaad slechts een kleine impact op de eindstand. Marginal gains. Als je echter al die dingen net wat beter weet te doen dan de concurrentie kan dat in totaliteit wel een fors voordeel opleveren.

      Ik ben benieuwd of je er qua Feyenoord anders tegenaan had gekeken als ze nipt achter Ajax (i.p.v. voor) waren geëindigd 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *